pag. 21 home

news

-1 ^ +1
1860 - 1865 ~ Tijdens de burgeroorlog.

1860


Na zijn ontslag als aalmoezenier reist De Smet eind september voor de twaalfde keer naar Europa. Voor zijn optreden in het oude continent heeft De Smet intussen een vast draaiboek. De kranten worden ruim op tijd van zijn komst op de hoogte gebracht en wanneer hij arriveert besteedt de pers uitgebreid aandacht aan het reisdoel van de intussen legendarisch geworden missionaris. Daarna volgt een vastberaden bedeltocht door België en omstreken. Nederland, Frankrijk, Italië, Duitsland, Engeland en zelfs Ierland staan op het programma. De onderneming start bij de familie van de collega's. Daarna volgen enkele gefortuneerde weldoeners en kerkleiders. En dan is het onderwijs aan de beurt. De Smet wordt opgevoerd in colleges, internaten en seminaries. Zelfs het lager onderwijs wordt niet vergeten. In de nonnenscholen zijn de verhalen over de bekering van de wilde indiaantjes een gegeerd agendapunt.

In november verblijft De Smet bij zijn familie in Grembergen bij Dendermonde. Hij is erbij wanneer zijn oudere broer Charles sterft en begraven wordt.

Intussen klagen Congiato, Gazzoli en Hoecken bij pater Felix Sopranis dat De Smet's laatste bezoek bij de indianen niet enkel oude herinneringen maar ook nieuwe verwachtingen opgeroepen heeft. De Smet belooft de indianen veel en wij moeten maar zien hoe we het waar kunnen maken ! Pater Giorda vraagt Beckx zelfs waarom hij als verantwoordelijke voor de missie in Oregon niet rechtstreeks over de fondsen, die De Smet in hun naam collecteert, kan beschikken. Ondanks de kritiek blijft Beckx erbij dat De Smet het geld zelf mag bestemmen. En onze missionaris wil niet enkel de aankopen doen, meestal wil hij ook de waren mee begeleiden op hun verre tocht door het Noord-Amerikaanse continent op de transportschepen van Charles Chouteau. Dat transport is overigens gratis, want Chouteau is een oud-leerling van De Smet !

1861

Eind maart vertrekt De Smet terug naar de V.S. Deze keer maakt hij de overtocht op de Fulton. De overtocht per stoomschip duurt 14 tot 16 dagen, twee keer sneller dan de zeilschepen. De duurtijd van de overtocht is ook regelmatiger, want minder afhankelijk van de wind. Zodoende komt De Smet tijdens de nacht van 14 op 15 april in de haven van New York aan. Hij heeft 12.000 $ (66.000 franc) op zak. Maar het land staat in rep en roer ! Voor het eerst vormt de verkiezing van een president (Abraham Lincoln) een ernstige bedreiging voor de eenheid van de Verenigde Staten. South Carolina is de eerste om de Unie te verlaten en op 12 april wordt in de haven van Charleston het startschot voor de Amerikaanse burgeroorlog gegeven. Op 17 april vertrekt De Smet naar St.-Louis waar hij op 19 april arriveert. Voortaan worden alle vormen van transport en communicatie streng gecontroleerd. Van landverraad verdachte burgers worden zonder vorm van proces opgesloten. Van vrijheid is nauwelijks nog sprake.

Technisch gezien is de communicatie tussen oost en west fel verbeterd. Er zijn postkoetsen en de telegraaf neemt het werk van de Pony Express over. Maar voor de missionarissen in de bergen van het noordwesten blijft het leven hard en eenzaam. Na de lange wintermaanden in de Rockies kijken ze elk jaar vol verwachting uit naar het eerste nieuws uit het oosten. De Smet weet dat maar al te goed, en hij zorgt dat de lading die hij de zendelingen in de lente opstuurt ook voldoende boeken, foto's, nieuws en informatie bevat. Ook dit jaar wil De Smet niets liever dan zelf mee gaan, maar door het overlijden van de provinciaal, pater Druyts, is dat deze keer onmogelijk. De post en de kostbare vracht (een molen, ploegen en andere werktuigen) zullen echter nooit ter bestemming geraken omdat het transportschip onderweg in vlammen opgaat.

Ondanks de oorlogsdreiging bezoekt De Smet Baltimore, New York en Washington D.C. In deze laatste stad is hij op 18 juli getuige van de wanordelijke terugtocht van de Unionisten na hun smadelijke nederlaag bij Bull Run.

De Smet schrijft brieven naar zijn zwager, Charles Van Mossevelde, waaruit blijkt dat De Smet grotendeels het standpunt van president Lincoln deelt. Maar thuis, in Missouri, zitten de jezuïeten tussen twee vuren en in St.-Louis zwijgt De Smet in alle talen over politieke kwesties. De frontlinie loopt dwars door de staat Missouri. De Unie heeft het noorden ervan bezet, maar de meeste inwoners van Missouri sympathiseren met de Zuiderlingen. Het zuiden van Missouri is in handen van de rebellen die regelmatig de buurstaat Kansas en het noorden van Missouri binnenvallen. In St.-Louis zelf worden veel moorden gepleegd. Op de Mississippi is het verkeer met het zuiden onmogelijk geworden en zodoende dobberen honderden schepen werkeloos langs de kade. Veel fabrieken, pakhuizen, winkels en huizen liggen er verlaten bij. 40.000 inwoners verlaten St.-Louis en veel jonge mannen nemen dienst in een van beide legers. De scholen lopen leeg en zodoende geraken de jezuïeten voor de zoveelste keer in moeilijkheden. Het Bureau van Indiaanse Zaken moet de missies in Kansas nog 15.000 $ betalen.

1862

In januari reist De Smet naar Washington D.C. om er te pleiten voor het uitbetalen van de achterstallige subsidie. Hij heeft een onderhoud met president Lincoln om hem te overtuigen van de noodzaak van de besteding. De Smet krijgt zijn zin. In de hoofdstad dineert bij ook met de Russische, Spaanse, Franse en Belgische (Blondeel Van Cuelenbroeck) ambassadeurs.

Na 13 jaar wordt De Smet ontlast van zijn opdracht om de Provinciaal te assisteren. Eindelijk heeft hij meer tijd voor de indianen. De Smet is vastbesloten om de beloofde missiepost bij de Sioux op te starten. In mei vertrekt hij met de Spread Eagle van kapitein Charles Chouteau van St.-Louis naar fort Benton. Op het schip geniet hij het gezelschap van Samuel Latta (indiaans agent voor het gebied van de Opper-Missouri), Henry Reed (agent voor de Blackfoot) en Lewis Morgan (antropoloog). Op 22 mei komen ze in de buurt van de Niobrara rivier bij een nederzetting van de Yankton Sioux. Een dag later bereiken ze fort Randall, het laatste militaire steunpunt langs de Missouri. Daar leven een groepje Ponca indianen. Op 27 mei komen ze ter hoogte van de monding van de Bad rivier bij het oude fort Pierre. Op 9 juni ontmoeten ze bij fort Union de eerste Assiniboin en Crow indianen. Boven fort Berthold is er een niet ongevaarlijke race tussen kapitein Joseph La Barge met de Emilie en Edwin Bailey met de Spread Eagle. Gelukkig komt de Spread Eagle op 20 juni zonder brokken in fort Benton aan en kan De Smet de goederen voor de St.-Peter missie persoonlijk afleveren aan de paters Giorda en Immoda. Na 17 jaar missiewerk is pater Adriaan Hoecken naar het oosten teruggekeerd. Intussen heeft De Smet vernomen dat het rommelt bij de indianen in de buurt van fort Pierre. De twist gaat tussen de indianen die de geschenken van de blanken willen aanvaarden en deze die niet van ze afhankelijk willen worden. Er zijn reeds doden gevallen. Bovendien jagen de Sioux op alle blanken die in Montana goud komen zoeken. Naar verluidt zouden de indianen zelfs de transportschepen op de Missouri aanvallen. De Smet ziet voorlopig af van zijn oorspronkelijk plan om de Sioux te bekeren en op 6 juli keert hij haastig met de Shreveport van La Barge naar St.-Louis terug. Voor de indianen is een transportschip op de Missouri een gemakkelijke schietschijf. De Smet kan erover mee praten, hij ondervindt zo'n aanval aan de lijve : met een regen van kogels en pijlen zijn de indianen in staat een schip op de Missouri tot staan te brengen. Een week later, ter hoogte van fort Pierre vernemen ze dat Bear's Rib, een bevriend Sioux opperhoofd, gedood werd omdat hij in weerwil van de oppositie de jaarlijkse rantsoenen van de Sioux ontvangen heeft. Bij fort Leavenworth ontscheept De Smet om de St.-Mary missie in Kansas te te bezoeken.

Wanneer De Smet in St.-Louis aankomt verneemt hij dat de Santee Sioux van Minnesota op 18 augustus massaal in opstand gekomen zijn. Op nog geen 3 dagen vermoordden ze duizend argeloze boeren. Maar het onverwachte verzet van hun leider, Little Crow, wordt een tragedie voor alle indianen in Minnesota. Generaal Sibley drijft de opstandige roodhuiden uiteen en in september worden een massa, vooral onschuldige, indianen gevangen genomen. Voor de blanken is het duidelijk, het zal nooit meer rustig worden voor al die onbetrouwbare en wreedaardige wilden in reservaten opgeborgen zijn. De Smet verzoekt de Amerikaanse overheid om de veroordeelde indianen niet op te knopen, maar dat gebeurt in december toch, met als gevolg dat de hostiliteiten hervatten. De Sioux maken het transport via de Missouri voor een tijd onmogelijk.

Eind augustus bezoekt De Smet Washington D.C. en enkele steden in het oosten. Op 17 september is hij getuige van de slag om Antietam.

In Idaho wordt op het grondgebied van de Kootenai goud gevonden. Voor De Smet is dat geen verrassing. Hij weet reeds twintig jaar dat er daar in de kleine bergriviertjes makkelijk goudstof gevonden kan worden, maar hij heeft het opzettelijk verzwegen. Net zoals in Californië is de invasie van de goudzoekers desastreus voor de lokale indiaanse gemeenschappen.

1863

In maart blijkt dat de oorlogsmachine van de Unie steeds meer soldaten nodig heeft. Via een Draft Act worden alle mannen tussen 18 en 45 jaar opgeroepen, ook de geestelijken. De Smet doet beroep op de republikeinse politicus Thurlow Weed om tussen te komen. Tot het eind van de burgeroorlog is er een stilzwijgende overeenkomst met de overheid dat de jezuïeten hun geweten kunnen volgen. Sommige van hen worden aalmoezenier om het leed van de gelovige soldaten te helpen dragen.

Na de gewelddadige onderdrukking van de opstand in Minnesota is in het indiaans gebied een explosieve toestand ontstaan. Ondanks het gevaar kan De Smet het niet laten 2 jonge Italiaanse broeders en zijn jaarlijkse lading missiegoederen naar het noordwesten te vergezellen. Op 9 mei vertrekken de Alone en de Nellie Rogers (Chouteau) uit St.-Louis. De schepen zitten afgeladen vol met goudzoekers die hun geluk in het territorium van Washington willen beproeven. Niet enkel de indianen, ook de rebellen proberen het verkeer tussen oost en west te saboteren. Het transport op de Missouri is dan ook geen sinecuur. Op sommige plaatsen liggen de oevers van de rivier bezaaid met de slachtoffers van allerlei moordpartijen. De passagiers kennen de risico's en ze zijn tot de tanden gewapend. Op de Nellie Rogers staat zelfs een kanon. Tijdens de reis wordt De Smet bevriend met een zekere dokter Martin uit Dublin die een wereldreis maakt. Het is een uitzonderlijk droog jaar. Het is eind juni en het wil maar niet regenen. Door de aanhoudende hitte ligt de Missouri er zó droog bij dat aan de monding van de Milk rivier een enorme zandbank alle verkeer onmogelijk maakt. De schepen van Chouteau, de Nellie Rogers en de Alone, en de schepen van La Barge, de Shreveport en de Robert Campbell, kunnen fort Benton onmogelijk bereiken. Er zit niets anders op dan de 90 passagiers en de 200 ton vracht van de Nellie Rogers te ontschepen. Het is nog 480 kilometer tot fort Benton ! Ze moeten in een bos aan de rivier wachten tot het fort transport kan sturen. Het duurt geen dag of het kamp krijgt bezoek van enkele Crow en Gros Ventre indianen. Die trekken echter verder.

4 juli is Independence Day. De nationale feestdag moet ondanks alles gevierd worden. De blanken lossen natuurlijk geweerschoten, maar enkele indianen in de buurt interpreteren deze uitingen van feestvreugde helemaal anders. Ze schieten terug en verwonden 2 blanken. Tot overmaat van ramp doemen plots 600 krijgers te paard op. De Smet wil iets doen om verder geweld te voorkomen. Hij loopt de indiaanse ruiters tegemoet. Gelukkig herkent een van de leiders de Grote Zwartrok. Het is de zoon van Red Fish, een Ogallala Sioux. In 1848 had De Smet nog gebeden voor de redding van zijn gevangen zus en dat had geholpen. Na een uurtje over en weer gepraat kan De Smet de Ogallala overtuigen dat het allemaal een misverstand is.

De wagens uit fort Benton laten een volle maand op zich wachten. Pas op 30 juli komt het transport opdagen. Daarna duurt het nog 2 weken voor de karavaan het kleine stadje bij fort Benton kan bereiken. Op 15 augustus kan pater Cammillus Imoda eindelijk sinterklaas (de bijnaam van De Smet onder de jezuïeten) de hand drukken. De Smet moet enkele dagen rusten. Door contact met een giftige klimopplant heeft hij een vervelende huidirritatie opgelopen. Daarna reist De Smet samen met pater Imoda, de jonge Italianen en dokter Martin naar de St.-Peter's missie, die 120 kilometer verder aan de Sun rivier ligt. Daar hebben de paters Giorda en Imoda zowel bij de Blackfoot als bij de blanke kolonisten een goede reputatie opgebouwd.

Ook dit jaar is de reis door het land van de Sioux erg gevaarlijk. Overal komen berichten over gewapende conflicten en slachtpartijen. Zelfs op de Missouri is het niet meer veilig. De Robert Campbell wordt iets ten noorden van fort Pierre aangevallen. Ook andere schepen worden beschoten, met als gevolg dat een aantal bemanningsleden hun reis op Missouri niet kunnen navertellen. Voor De Smet is dat een goede reden om verder naar het westen te trekken. Hij wil met dokter Martin en enkele indiaanse gidsen naar fort Vancouver reizen. Op 25 augustus rijden ze over de pas aangelegde Mullan Road (MR) naar St.-Ignatius. De aanleg van die 1.000 kilometer lange weg heeft 7 jaar geduurd. In feite is het een militaire baan (MR staat niet voor Mullan maar voor Military Road). Een flink deel ervan werd nog voor de burgeroorlog door kapiten Mullan ontworpen, vandaar de bijnaam. De baan verbindt de laatste aanlegplaats aan de Missouri, de handelspost fort Benton, met de stad Walla Walla aan de Columbia rivier. Onderweg bezoekt De Smet pater Joset en broeder William Claessens in Hell Gate (nabij Missoula, Montana). Ze bouwen er een nieuwe kerk voor de blanken. Later komt hij pater Joseph Giorda tegen. Die is op weg van St.-Ignatius naar St.-Peter. Tien dagen later komen ze in St.-Ignatius aan. Na het verdrag van Hell Gate (1855), is Mission Valley de thuishaven voor een aantal geconfedereerde stammen, zoals de Flathead, de Kootenai, de Kalispel en de Pend d'Oreille geworden. Pater Hoecken werd intussen door de Italiaanse pater Grassi opgevolgd. Op 8 september trekken ze van St.-Ignatius naar Sacred Heart, de missie bij de Coeur d'Alêne. Onderweg komen ze in een bosbrand terecht. Op 18 september bereiken ze Sacred Heart. Ze blijven 5 dagen bij de paters Gazzoli en Caruana, de opvolgers van Joset. Op 23 september varen ze per kano naar de zuidelijke oever van het Coeur d'Alêne meer, om van daar een pad naar Walla Walla City te volgen. Op 1 oktober komen ze in de landbouwgemeenschap van Walla Walla aan. Het is ongelofelijk hoe snel uit het niets een stadje met 2.000 pioniers ontstaan is. Ze logeren op de boerderij van kapitein Mullan, die intussen gelukkig getrouwd is. Van Walla Walla nemen ze de postkoets naar Wallula, de volgende dag schepen ze in op het transport naar de Dalles en van daar is het slechts één dag varen naar fort Vancouver. Op 8 oktober bereiken ze de stad bij het oude fort en daar hebben ze een ontmoeting met Blanchet, die intussen de aartsbisschop van Oregon geworden is. Aan de overzijde van de Columbia groeit Portland stilaan uit tot een volwaardige stad.

Dit is het laatste bezoek van De Smet aan zijn reducties in het noordwesten. De missies doen het niet slecht, maar toch voelt De Smet aan dat de jezuïeten stilaan de strijd om de indianen zoveel mogelijk te beschermen aan het verliezen zijn. De oorspronkelijke bevolking komt steeds meer met de aanzwellende stroom blanke kolonisten in contact, met alle gevolgen van dien. De vrijheid en de levenswijze van de indianen in de Rockies zullen weldra tot het verleden behoren.

Op 13 oktober boeken ze in Portland een plaats op de stoomboot naar San Francisco. De boot vaart eerst naar Victoria op het eiland Vancouver. Op 21 oktober neemt De Smet in San Francisco afscheid van dokter Martin. De dokter is van plan om via de west naar Ierland terug te reizen, maar pas nadat hij Hawaii, de Philipijnen, China en Japan bezocht heeft. In San Francisco bezoekt De Smet de lokale jezuïeten. Hij is te gast bij pater Alois Vercruysse en logeert in het St.-Ignatius college. Hij laat de foto met de baard nemen in de studio van Gustavus Sohon. Op 3 november reist De Smet door naar Panama, waar hij op 17 november aankomt. Daar neemt hij de trein naar het oosten en op 18 november gaat hij aan boord van de North Star. Op 26 november (Thanksgiving Day) komt De Smet in New York aan. Zijn gezondheid is niet al te best. Op 9 december vertrekt hij met pater Coosemans naar St.-Louis.

Wanneer hij onderweg in Washington D.C. aankomt, vragen regeringsambtenaren De Smet om nog maar eens met de Sioux indianen te gaan praten. De generaals Sibley en Sully zijn er niet in geslaagd om hooguit 6.000 opstandige prairie-indianen op de knieën te krijgen. De Sioux zijn een geduchte vijand. Ze zijn wreed, ongrijpbaar, dapper, snel en goed bewapend. Ze vermijden confrontaties, maar het zijn meesters in de hit and run tactiek, het leggen van hinderlagen en de guerrillaoorlog. Ze hebben een enorm uithoudingsvermogen en zo mogelijk nog meer geduld. Ze moeten geen steden, forten of opslagplaatsen verdedigen en opereren in relatief kleine groepjes die zich snel kunnen verplaatsen omdat ze niet veel ballast mee sleuren. Hun gezin verblijft meestal ver van het strijdtoneel. De Smet wil de regering wel helpen, maar niet in opdracht van de V.S.. Hij stelt voor om op eigen houtje onderhandelen.

Intussen zijn de jezuïeten in St.-Louis erg ongerust. Ze weten dat De Smet bij de Milk rivier afgezet werd, maar naar wat er daarna gebeurde hebben ze het raden. Maanden horen ze niets van hem en deze keer heeft hij zijn crucifix niet bij! Maar op 17 december duikt De Smet plots onbeschadigd in St.-Louis op. Hij heeft er 18.342 kilometer opzitten en is uit de handen van de rebellen en de indianen kunnen blijven. De reis was vermoeiend en De Smet moet dringend rust nemen. Hij heeft weer erg veel last van reuma. Zijn lichaam doet overal pijn. Gedurende 3 maanden kan De Smet zijn kamer nauwelijks verlaten.

1864

Na de winter voelt De Smet zich weer stilaan beter.

Het beleid van de Amerikanen is voor de indianen catastrofaal. De niet aflatende stroom emigranten uit Europa verhoogt de druk om steeds meer land voor steden, boerderijen en fabrieken open te stellen. Intussen worden de oorspronkelijke bevolking, de flora en de fauna van de nieuwe wereld aan deze groei opgeofferd. De bossen worden gekapt, het wild wordt geschoten en het land wordt geploegd, verkaveld en omheind. Zodoende wordt de traditionele indiaanse levenswijze onmogelijk gemaakt en de oorspronkelijke bevolking steeds verder naar het westen verdrongen. Valt rond 1830 de grens (frontier) nog samen met de Missouri, dan heeft de blanke vloedgolf twintig jaar later het grootste deel van Missouri en Kansas ingepalmd. Wanneer in Colorado, Nevada, Idaho, Montana en Dakota goud en zilver gevonden worden, kunnen de indianen geen kant meer op. Ze kunnen proberen om in reservaten te overleven, maar dat betekent een leven van afhankelijkheid, oneer, verveling, ontmoediging, ziekte, uitbuiting, drank, prostitutie, diefstal en bedelarij. Bij elk reservaat hoort een indiaans agent die de vrede moet bewaren, de bevolking tegen de blanke agressie moet beschermen en inlichtingen voor de Amerikaanse regering moet verzamelen. Het is een politieke benoeming zonder continuïteit. Veel agenten hebben geen begrip of sympathie voor de indianen en ze worden dan ook door de indiaanse leiders met wantrouw bekeken, niet in het minst omdat een flink deel van het jaarlijkse steungeld in hun zakken verdwijnt. De reservaten worden steeds kleiner doordat zich steevast hetzelfde patroon herhaalt : er wordt goud of zilver gevonden, de eerste avonturiers dringen het reservaat illegaal binnen, de indianen verzetten zich en er volgen slachtpartijen, het publiek eist dat het leger tussenbeide komt, er komt een nieuw verdrag en de indianen moeten naar een kleiner reservaat verhuizen. De meeste van de dertigduizend prairie-indianen verkiezen als vogelvrije indianen rond te zwerven boven de vernederingen van zo'n systeem. En een aantal van hen zijn bereid om hun vrijheid tot het bittere eind te verdedigen. Engeland, dat de Amerikaanse expansie van de voorbije 50 jaar met lede ogen aankijkt, steekt de opstandelingen stiekem een handje toe, door hen via Canadese halfbloeden van de nodige wapens te voorzien. In dat klimaat moet De Smet proberen om de indianen aan de onderhandelingstafel te krijgen.

Op 20 april neemt De Smet de trein van St.-Louis naar St.-Joseph. Daar hoopt hij in te kunnen schepen op de Yellowstone, maar door problemen met de waterstand is het schip reeds vertrokken. In fort Leavenworth koopt De Smet zich een plaatsje op de postkoets naar Omaha. Gelukkig kan hij de rivierboot inhalen en op 28 april in Omaha aan boord gaan. Charles Chouteau zorgt ervoor dat De Smet een comfortabele cabine krijgt. Het heeft al een hele poos niet meer geregend en de Missouri is erg ondiep. Onderweg bezoekt De Smet de Winnebago indianen die na de opstand van de Santee Sioux uit hun thuisland in Minnesota verbannen werden naar een waardeloos stukje land langs de Missouri. Ze zijn gevlucht uit dat reservaat en leven in miserabele omstandigheden op een groot eiland in de rivier. Na twintig dagen en 389 kilometer bereiken ze door zorgvuldig laveerwerk de hoofdstad van het Dakota Territory : Yankton. Van daar gaat het naar fort Randall. Onderweg vernemen ze dat opstandige indianen de rivier blokkeren, maar ondanks alles bereikt de Yellowstone fort Sully zonder problemen op 31 mei. Dee Smet wil de vredelievende Yankton en Two Kettle indianen bezoeken. Het opperhoofd van de Yankton, Man Who Strikes the Ree, vraagt De Smet om bij hen te blijven. Hij waarschuwt De Smet dat de Lakota, de Hunkpapa, de Miniconjou en de Sans Arc, die in het binnenland rondtrekken uiterst gevaarlijk zijn en hem zonder pardon zullen doden. Op 9 juni bereikt De Yellowstone fort Berthold aan de monding van de Little Missouri. Een handelaar, Frederick Gerard, spreekt dezelfde waarschuwende taal. De Smet zal de opstandige indianen een boodschap sturen en op hun antwoord wachten. Intussen predikt De Smet in een dorp voor de Arikara, Gros Ventre en Mandan indianen. Pierre Garreau is zijn tolk. De Mandan chief, Soaring Eagle, verzoekt De Smet eveneens om bij zijn mensen te blijven. Hij doopt 204 kinderen. Een paar dagen later is het de beurt aan de Arikara met chief White Parfleche. Hij doopt nog eens 103 kinderen. Wanneer op een dag een groepje opstandige Sioux indianen de paarden van de Arikara indianen komen stelen, een Gros Ventre doden en een Arikara verwonden, begrijpt De Smet dat de vredelievende indianen in een lastig parket zitten. Er gaat geen week voorbij zonder agressie van de Lakota op de indianen nabij het fort. De Sioux intimideren de vredelievende stammen, om ze van gedacht te doen veranderen. De Smet verneemt dat een grote groep Lakota in een vallei ten zuidwesten van fort Berthold campeert. De Smet wil er onmiddellijk heen, maar niemand wil met hem mee. Op 26 juni brengen Britse handelaren een boodschap van vierduizend gevluchte Santee gezinnen die nabij de Canadese grens kamperen. Ze vragen De Smet om hulp bij hun onderhandelingen met de Amerikaanse regering. De Smet stuurt hen een brief. Begin juli vat een groepje van 35 Sioux post voor fort Berthold. Niemand durft hen te benaderen. De Smet gaat er alleen naartoe. Het zijn de opperhoofden van een 500-tal Yankton-gezinnen die langs een arm van de Heart rivier kamperen. Na een week komen er nog meer indianen bij. Het zijn 200 à 300 Ogallala en Brulé onder de leiding van de chiefs Black Eyes en Red Dog. Precies op dat moment komt ook de Yellowstone terug ter hoogte van fort Berthold aan. De Smet kan kapitein Charles Chouteau overtuigen om met hem mee naar de overkant van De Missouri te roeien. Met de 2 kleine bijboten bereiken ze het kamp van de Sioux. Ze roken de vredespijp en de indianen beloven om voor overleg naar de Yellowstone te komen. Maar om een of andere reden zijn ze plots verdwenen. De Smet reist door naar het militair bolwerk van generaal Sully, fort Rice. Op 9 juli heeft hij er een ontmoeting met de generaal. De Smet onderstreept dat de indianen ook vrede willen. Maar Sully ziet het anders. Hij wil alle indianen die bloed aan hun handen hebben straffen. De Smet beseft dat hij in die omstandigheden ter plaatse niet veel kan uitrichten en besluit om naar St.-Louis terug te keren. Hij scheept in op de Yellowtone en zoals gebruikelijk verlaat hij het schip in fort Leavenworth om een kort bezoek aan St.-Mary te brengen.

Op 28 juli, na het vertrek van De Smet, levert Sully slag met 1.600 Santee en Lakota indianen nabij Kildeer Moutain. De indianen vluchten voor het kanonvuur van Sully nadat ze meer dan honderd krijgers verloren hebben. Sully legt hun dorpen in de as en achtervolgt de vluchtende indianen tot in de Badlands en aan de Yellowstone rivier. Ook in augustus gaat Sully door met zijn offensief.

In september reist De Smet naar Washington D.C. om zich bij Dole over de hardvochtigheid van Sully te beklagen. Volgens De Smet is het onmogelijk om met deze ijzervreter samen te werken. Om de vrede te bewaren zou de V.S. er beter aan doen om meer missionarissen en minder soldaten naar het land van de Sioux te sturen. In Washington heeft De Smet nog een zaak te regelen, want intussen heeft het leger van de Unie toch een aantal katholieke geestelijken opgeroepen. De Smet kan Stanton nogmaals overtuigen om de jezuïeten vrij te stellen. Bovendien bekomt hij de betaling van de achterstallige subsidiëring voor de scholen van de Potawatomi en de Osage indianen.

Het is een zwart jaar voor de indianen in het zuiden. Kit Carson verslaat de Navajo in Canyon de Chelly (Arizona) en in Colorado wordt het Cheyenne dorp van Black Kettle uitgemoord (Sand Creek Massacre).

Eind september komt De Smet terug in St.-Louis aan. Hij krijgt van de provinciaal de opdracht om zo snel mogelijk terug naar Europa te reizen om missionarissen te rekruteren en geld in te zamelen. Op 12 oktober reist hij naar New York om op de China in te schepen met bestemming Liverpool. Het wordt een woelige overtocht en bovendien heeft De Smet veel last van de ziekte van Bright die hem uiteindelijk fataal zal worden. Begin november komt De Smet in België aan. Gewoontegetrouw bezoekt hij zijn familie en daarna reist hij naar Frankrijk (Marseille) en Italië (Civita Vecchia). Op 15 november is hij in Rome waar hij een ontmoeting met paus Pius IX heeft.

1865

Terug uit Rome verneemt De Smet dat de bevelhebber van de Zuiderlingen, generaal Lee, zich op 23 april in Appomatox overgegeven heeft : de Amerikaanse Burgeroorlog is eindelijk voorbij !

In ons land is de missionaris te gast bij Charles Rogier die ervoor zorgt dat De Smet de Orde van Koning Leopold krijgt. Hij poseert er ook voor een schilderij. De bedeltocht in België, Nederland, Luxemburg, Engeland en Ierland heeft De Smet intussen 86.500 francs opgebracht. En dan is het weer tijd om naar de V.S. terug te keren. 12 nieuwe missionarissen uit België, Nederland en Ierland, plus 4 zusters van Notre Dame de Namur zullen hem deze keer vergezellen. Op 2 juni vertrekt hij uit Oostende om op 19 juni in de V.S. aan te komen. Bij zijn aankomst wordt De Smet nog maar eens gevraagd om bisschop te worden, deze keer voor het territorium van Montana. Maar andermaal verkiest De Smet in St.-Louis te blijven om zich ten volle aan het missiewerk in opper-Missouri te kunnen wijden.

In het midden van de maand juli heeft De Smet een gesprek met generaal Sherman die pas in zijn nieuw hoofdkwartier in de buurt van St.-Louis aangekomen is. In september komt mevrouw Sherman met haar zoon en vier dochters in St.-Louis wonen. De Smet sluit vriendschap met de Sherman's. Dank zij die contacten kan de missionaris het standpunt van de indianen uitleggen. De Smet verzwijgt ook bepaalde zaken. Op een van zijn tochten heeft een indiaan de missionaris toevertrouwd dat de Black Hills in het zuiden van Dakota rijke goudaders bevatten. Intussen zijn de eerste goudzoekers reeds illegaal het territorium van de indianen binnengedrongen. Het gebied van de Black Hills is heilig voor de indianen. De blanke invasie is niet minder dan heiligschennis en de indianen maken korte metten met elke blanke die ze er aantreffen. Het is pas wanneer een leger van de V.S. naar de Black Hills trekt, zogenaamd om orde op zaken te stellen, dat De Smet erover zal spreken. De ironie van het lot wil dat na zijn dood een van de grootste mijnen er naar hem genoemd zal worden.

Door zijn hulp aan de Amerikaanse regering kan De Smet in Washington op veel sympathie rekenen. Hij gebruikt die invloed om bepaalde mensen die tijdens de Burgeroorlog fout waren te helpen en te beschermen. Dat is het geval voor generaal David Frost, maar ook voor aartsbisschop Kenrick die zijn voorkeur voor de Zuidelingen niet onder stoelen of banken gestoken had.

In oktober wordt er dan toch met de indianen in fort Sully gepraat, maar de vrede is niet van lange duur. De Amerikaanse regering vraagt De Smet om nogmaals in het aanslepend conflict te bemiddelen. Zelfs Sully vraagt De Smet in een brief om missies op te richten in de buurt van fort Berthold en nabij het agentschap van de Yankton indianen, bij fort Randall.