pag. 14

|
1840 - 1840 ~ Rendez-vous met de Flathead.
1840
Het geduld van De Smet geraakt stilaan op. Hij wil zo snel mogelijk naar St.-Louis om er zijn superieuren met de feiten te confronteren en nieuwe voorraden op te doen. In februari trekt hij te paard met slechts één vrijwilliger de bevroren wildernis in. Ze willen de 1.100 kilometer naar St.-Louis in enkele dagen overbruggen, een roekeloos plan. Hoe dan ook, De Smet komt zonder problemen in St.-Louis aan. Maar Verhaegen wil de missie in St.-Joseph niet zonder meer opgeven en vraagt De Smet om er gewoon verder te werken. De Smet staat op het punt terug te keren, wanneer Verhaegen van gedacht verandert. Pierre-Jean, de geblokte (1 meter 70 en meer dan 100 Kg), sympathieke, minzame, pater van weinig woorden, mag Ignace la Mousse naar de Rockies vergezellen. Pater Christiaan Hoecken zal het bestuur van St.-Joseph overnemen (in september van het volgende jaar zullen Hoecken en Verreydt wat overblijft van de 2.000 Potawatomi naar St.-Mary bij Sugar Creek in Kansas overbrengen).
En onze missionaris heeft nog meer geluk. Hij kan mee met een karavaan van de American Fur Company (AFC) naar het jaarlijks rendez-vous van de mountain men aan de oevers van de Groene (Green) rivier. Langs de kade van St.-Louis leert De Smet een aantal doorwinterde pelsjagers kennen, waaronder Jim Bridger en Henry Fraeb. Op 27 maart vertrekt hij naar Westport (nu Kansas City), een bootreis van 630 kilometer op de Missouri. In Westport voegt de jonge Ignace, die in de Kickapoo missie overwinterde, zich bij de missionaris. Ze moeten zich klaar maken om in de loop van de maand april met de karavaan van Andrew Drips te kunnen vertrekken. De Smet koopt 4 paarden en 3 muilezels. Met de karavaan van Drips reizen ook een paar families mee. Het zijn protestantse missionarissen met hun gezin (Harvey Clark, Alvin Smith en P. Littlejohn) en de eerst officiële emigranten naar Oregon (de heer en mevrouw Joel P. Walker en hun 5 kinderen).

Het is vrij laat op de maand, namelijk 30 april, wanneer de kapitein van de AFC-brigade, Andrew Drips, met de 50 reizigers, 50 karren en 60 pakezels op pad kan gaan. De eerste 10 dagen legt de trein slechts 29 kilometer per dag af. In de prairie is het overdag snikheet en De Smet voelt zich niet lekker. Hij heeft weldra zo'n hevige koorts dat hij zelfs niet meer rechtop in het zadel kan blijven. Er zit voor hem niets anders op dan op een van de karren tussen de vracht te gaan liggen. De karren hebben geen vering en De Smet wordt grondig dooreengeschud. Op 18 mei bereikt de karavaan de Nebraska of Platte rivier. De Platte heeft haar naam niet gestolen. De rivier is 3 kilometer breed maar erg ondiep (30 cm à 2 m). Bezaaid met zandbanken en eilanden is ze voor het grootste gedeelte onbevaarbaar. Haar oevers zijn rijk aan fauna en flora. Het wemelt er van de bisons. Een maand lang volgen ze de Platte stroomopwaarts, pal naar het westen. Naarmate het landschap stijgt, wordt het klimaat in dit uitgestrekte grasland dragelijker en ter hoogte van het Grand Island van de Noord-Platte gaat het weer beter met onze missionaris (tot september zal hij zich koortsig blijven voelen). Op 4 juni steekt de brigade de Laramie rivier over. Daar ontmoet De Smet een groepje noordelijke Cheyenne indianen. Ze trekken verder langs de oevers van de Noord-Platte via Red Butte, de Sweetwater rivier en Independence Rock. De Smet noemt deze rots het groot register van de woestijn omdat veel oost-west reizigers hun naam in het zachte gesteente krassen. Het is nog twintig dagen tot South Pass, de waterscheiding tussen oost en west. Op 26 juni valt er sneeuw ! 4 dagen later bereikt de karavaan de Green rivier aan de monding van Horse Creek. Die Groene rivier is een zijrivier van de machtige Colorado die meer naar het zuiden door de Grand Canyon naar de Stille-Oceaan stroomt.
Zoals afgesproken wacht Pierre Gaucher de missionaris aan de oevers van de Green op. Hij heeft een escorte van 9 jonge krijgers meegebracht. De Flathead delegatie heeft met hun aartsvijand, de Blackfoot indianen, een kleine veldslag moeten leveren om op de plaats van de afspraak te kunnen komen. Het is dus oppassen geblazen. Het basiskamp van de Flathead indianen bevindt zich in Pierre's Hole. De Smet vraagt de indianen om hem op de plaats van het rendez-vous eerst een paar dagen op verhaal te laten komen. Tijdens de pauze leert De Smet het ruig trappersvolkje kennen. Hij praat ook met de aanwezige Shoshone (Snake), Ute en Paiute indianen.
En dan is er een ongelofelijk toeval. In dit verlaten oord ontmoet De Smet een streekgenoot. Het is de Gentenaar Jean-Baptiste De Velder, die reeds dertig jaar in Noord-Amerika verblijft en zijn moedertaal voor een flink stuk vergeten is. Jean-Baptiste, ooit nog grenadier in het leger van Napoleon, werd in Spanje door de troepen van Wellington gevangen genomen en daarna naar een Engelse kolonie verscheept. Via een Amerikaans schip wist De Velder naar de V.S. te ontkomen en zodoende werkt hij reeds 14 jaar als pelsjager in de Rockies. De Velder kent de de streek en zijn bewoners als geen ander en hij biedt de missionaris spontaan zijn diensten als gids en tolk aan. De Smet accepteert dit godsgeschenk natuurlijk onmiddellijk.
Op zondag 5 juli draagt De Smet voor het eerst een mis in de Rockies op. Hij predikt er voor de trappers en de indianen op een plaats die daarna de vlakte van het Heilig Sacrament genoemd zal worden. De Smet is intussen voldoende uitgerust om naar het basiskamp van de Flathead te vertrekken. Samen met De Velder, de 10 Flathead en 10 Frans-Canadese trappers vertrekt hij naar een gebied ten noordwesten van de Green. Door een kleine vallei, Jackson's Little Hole, gaat de tocht over zeer hoge, besneeuwde bergen, naar Jackson's Hole en de Snake rivier die ze met bull boats overtsteken. Langs een pas in het zuidelijk deel van het Teton-gebergte bereikt het groepje op 12 juli eindelijk het einddoel van de reis : Pierre's Hole. Het is een 40 kilometer lange vallei, aan de voet van de indrukwekkende Teton bergen. Daar kamperen ongeveer 1.000 Flathead, Pend d'Oreille en Nez Percé indianen. Die grote groep indianen heeft 300 kilometer afgelegd om de beloofde missionaris te ontmoeten. Het opperhoofd van de Flathead, Big Face, verwelkomt De Smet met groot enthousiasme. 4 dagen lang predikt en instrueert De Smet de indianen die hem voortaan gewoon hun eigen Zwartrok mogen noemen.
Op 16 juli wordt het kamp opgebroken. Het ganse dorp trekt noordwaarts naar bovenloop van de Missouri. Gedurende 3 weken leggen ze 15 tot 16 kilometer per dag af. De route loopt van Henry's Fork, aan de Snake rivier, over de oost-west waterscheiding, tussen Henry's Lake en Red Rock Lake naar Red Rock Creek. Dan trekken ze langs de Beaverhead (bij Dillon, Montana) naar de Jefferson rivier. De Jefferson is één van de 3 rivieren die samen de bron van de Missouri vormen. Op 6 augustus komen ze aan op de plek waar de prairie- en de plateau-indianen ieder jaar in augustus hun wintervoorraad bisons jagen. Ze blijven 17 dagen ter plekke en doden wel 500 dieren. Op 23 augustus schrijft De Smet een brief naar de paters Norbert Blanchet en Modeste Demers, die in de streek van de Willamette rivier, niet ver van fort Vancouver, reeds een katholieke missie opgebouwd hebben.
De indianen maken zich klaar om naar hun thuisland weer te keren. De Smet wil proberen om vóór de winter terug in St.-Louis te geraken. Hij moet verslag uitbrengen maar belooft de indianen om de volgende lente met meer missionarissen terug te komen. Op 27 augustus vertrekken De Smet en De Velder met een escorte van twintig jonge krijgers langs een route die William Clark in 1806 op weg naar de Yellowstone rivier gevolgd heeft. Het is een vaag indianenpad langs de Galatin rivier, over de Bozeman pas en dwars door de Yellowstone woestijn, met niets dan eindeloze vlakten en diepe ravijnen. Het pad loopt door het land van de Crow en van de gevreesde Blackfoot indianen. Aan de samenvloeiing van de Yellowstone en de Bighorn worden ze in een groot dorp van wel 1.000 Crow indianen ontvangen. Van daar trekken ze naar fort Alexander (AFC) aan de Rosebud rivier. In het fort stuurt De Smet de Flathead escorte terug naar huis.
Het is 13 september en De Smet en De Velder reizen verder, maar niet alleen. Overal vinden ze sporen van kleine groepjes Blackfoot indianen. Op 20 september bereiken ze de samenvloeiing van de Yellowstone en de Missouri. Daar staat nog een fort van de AFC : het is fort Union met aan het hoofd James Kipp. Ze nemen 3 dagen rust. Kipp raadt hen aan om de Missouri per kano af te varen. Het is reeds volop herfst en ze hebben nog 3.600 kilometer voor de boeg ! Maar omdat ze niet veel kanoervaring hebben verkiezen De Smet en De Velder te paard verder te trekken. De reis zal dan wel dubbel zo lang duren. Op 23 september vertrekken ze met een groep handelaars naar het land van de Arikara indianen. 3 dagen later komen ze bij bevriende Mandan en Gros Ventre indianen aan. Na fort Clark reizen De Smet, De Velder en een Canadees alleen verder. Hun volgend doel, fort Pierre, ligt 10 dagen naar het oosten. Na 5 dagen betreden ze het grondgebied van de Sioux indianen. Het duurt niet lang of de indringers worden opgespoord. De Canadees legt de Sioux uit dat ze met een Franse Zwartrok te maken hebben. Voor Sioux is het de eerste keer dat ze iemand ontmoeten die zo dicht bij de Grote Geest staat. Hun agressiviteit maakt plaats voor uitbundige vreugde en De Smet wordt op een buffelhuid het dorp ingedragen. De volgende dag krijgt De Smet zelfs een escorte van 3 Sioux krijgers tot fort Pierre mee. Op 17 oktober zijn ze al onderweg van fort Pierre naar het volgende fort. In fort Vermillion verneemt De Smet dat de Yankton en de Potawatomi opnieuw slaags geraakt zijn. Op 10 november ontmoeten ze een eenzame Irokees met kano. Ze kunnen met hem mee naar Council Bluffs varen. Het is reeds half november en er drijft reeds ijs op de Missouri. Wanneer ze 10 dagen later Council Bluffs bereiken is de rivier helemaal dichtgevroren. Gelukkig kunnen ze in de St.-Joseph missie, bij Christiaan Hoecken en Felix Verreydt, wat uitrusten. In de missie leven nog maar 50 Potawatomi families (Hier verdwijnt De Velder voorgoed uit de dagboeken van De Smet, maar het is goed mogelijk dat hij tot St.-Louis bij De Smet is gebleven).
Na 3 weken rust, vertrekt De Smet op 14 december opnieuw te paard naar Westport, waar hij op de 22e arriveert. In deze groeiende voorpost wonen reeds 23 families. Het zijn Irokese- of Frans-Canadese pelsjagers op rust met hun indiaanse vrouwen. Pater Nicolas Point kwam reeds op 1 november in Westport aan. Deze Franse jezuïet uit Rocroi is architect en tekenaar. Hij moet de tweede reis voorbereiden en heeft net een kapel voor de lokale bevolking gebouwd. In Independence neemt De Smet de postkoets naar St.-Louis, om op oudejaarsavond de universiteit van St.-Louis binnen te stappen. Hij is 9 maanden of 279 dagen weggeweest en heeft in die tijd 7.000 kilometer afgelegd. Hij reist meteen naar Philadelphia door om er voor het oprichten van zijn missie in de Rotsbergen (Rockies) te pleiten en om geld in te zamelen.
De jezuïeten van Missouri zijn nu met 154. Daarvan zijn er 16 in de V.S geboren. Verder zijn er 45 Ieren, 42 Belgen, 16 Hollanders, 13 Duitsers, 11 Italianen, 9 Fransen en 2 Spanjaarden.
|